De Joodse begraafplaats aan de Botjesweg Zuidbroek

De eerste Joden in Noord- en Zuidbroek

Omstreeks 1744 vestigen de eerste Joden zich in Noord- en Zuidbroek. Het is de tijd van veenontginning, maar ook veeteelt is een belangrijke bron van inkomsten. Het Groninger land is vanwege de verbeterende economie een interessant vestigingsgebied voor Joodse slagers en veehandelaren. Waar de Joodse marskramers en vleesventers in de 18e eeuw met zware bepakking langs de onverharde wegen en met puin verharde jaagpaden liepen, krijgen sommigen van hen tijdens de 19e eeuw hondenkarren, welke verplicht over de inmiddels gegrinde en bestrate wegen moeten. De gegrinde of bestrate wegen zijn zeker in de winter een stuk beter begaanbaar dan de zandpaden waarover voetgangers zich bewegen, maar hebben ook nadelen. Zo moet men zo hier en daar tol betalen aan de eigenaar, vaak de provincie of stad Groningen. Joden vinden in deze tijd een bestaan in de regio en langzaamaan groeit de Joodse bevolking, maar meer dan 1,5% van de bevolking zal de Joodse gemeenschap nooit beslaan.

Het galgenkerkhof

Tot 1886 is er geen officiële Joodse gemeenschap, laat staan dat er een speciale Joodse begraafplaats is. Joden uit Noord- en Zuidbroek vinden hun laatste rustplaats op de begraafplaatsen van naburige gemeenten, zo vinden we nu op de begraafplaats in Kolham nog vijf zerken. Achter de Nederlands Hervormde begraafplaats ligt in de 19e eeuw bovendien het zogenaamde ‘Jodenkerkhof’. Deze plek is aanvankelijk vrijgemaakt voor bijvoorbeeld terechtgestelde misdadigers (galgenkerkhof) en vreemdelingen, maar voor degenen die het transport naar een verder gelegen Joodse begraafplaats niet kunnen betalen, bestaat er de mogelijkheid om hier te begraven. Hiervan zijn echter nooit stenen teruggevonden, dus hoeveel Joden hier begraven zijn is niet bekend.
Vanaf het jaar 1869 moet elke gemeente een algemene begraafplaats hebben. Het B&W van Zuidbroek wil het zogenaamde ‘galgenkerkhof’ gebruiken voor de Joodse gemeenschap, maar de Gedeputeerde Staten geven hiervoor geen toestemming. Het is enerzijds te klein, maar ook het beladen verleden van deze plek zorgt ervoor dat dit plan geen doorgang krijgt.
In 1872 wordt het Hervormde kerkhof bij de Petruskerk de algemene begraafplaats. Hier mogen ook Joden met bijpassende rituelen worden begraven, mits de kist bedekt wordt met 6 palmen en 4 duimen aarde.


 petruskerk
De Petruskerk in Zuidbroek

De Kille van Noord- en Zuidbroek

In 1881 neemt men het initiatief voor een eigen kille of kehilla (Joodse gemeente) met synagoge, godsdienstschool, ritueel bad en begraafplaats. Twaalf gezinshoofden steken de koppen bij elkaar en doen een beroep op de burgerlijke overheid. De gemeente Zuidbroek wil echter geen grond afstaan, dus kopen de broers Mozes en Simon Wolf zelf het eerste stuk grond waarop de synagoge met schoollokaal en bad worden gebouwd. In 1883 kopen Izaäk van der Laan en Mozes Wolf een stuk grond aan de Uiterburen te Zuidbroek, waar men begint met de bouw van een sjoel en chazzenshuis (pastorie), met inpandig schoollokaal voor de jeugd. In 1885 is de Nederlands-Israëlitische Gemeente Noord- en Zuidbroek geboren, al bleef men in de volksmond praten over de kille Zuidbroek.
Uiteindelijk koopt de Joodse gemeente Zuidbroek het perceel van Mozes en Simon Wolf terug voor 100 gulden, waarna de begraafplaats aan de Botjesweg (1886) gerealiseerd wordt. Op de begraafplaats vindt men in die tijd een reinigingshuisje waar de overledene tijdens de plechtigheden, voorafgaand aan de eigenlijke begrafenis, wordt bijgezet. Men noemt dit het lijkenhuisje, maar dit huisje is helaas verdwenen.
De kehilla zal tot 1922 blijven bestaan. Door een gering aantal leden is een zelfstandige gemeente op dat moment financieel en organisatorisch niet meer mogelijk. De Joden van Noord- en Zuidbroek horen na 38 jaar zelfstandigheid nu weer bij de kille Hoogezand-Sappemeer. In 1934 wordt de synagoge afgebroken.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog worden alle Joden uit Noord- en Zuidbroek gedeporteerd. Geen van hen overleeft de oorlog…


 IMG 1145 klein  IMG 1143 klein
Twee grafstenen. Links de steen van Trijntje Schrijver, de vrouw van Simon Wolf, die het eerste stuk grond kocht waarop onder andere de synagoge gebouwd werd.

De begraafplaats aan de Botjesweg

Op de begraafplaats aan de Botjesweg, welke 19 are en tweeëntwintig centiare groot is, vinden we nu 27 grafzerken of restanten daarvan. Wanneer in de herfst de bladeren van de bomen vallen is de begraafplaats goed zichtbaar. Er moeten in het verleden meer mensen begraven zijn dan 27. Zo is bekend dat ook Heiman Dalsheim, die in 1939 stierf, hier begraven is, hiervan is echter geen steen terug te vinden, mogelijk is deze nooit geplaatst. De laatste steen die geplaatst is en bewaard is gebleven, werd in 1938 geplaatst, dit is het graf van Sara Hausman. De oudste overgebleven steen is het graf van Frouke Philippus Goldsmith. Zij overleed in 1889.
Bijzonder zijn de vier stenen waarop treurwilgen staan afgebeeld, wat een algemeen gebruik was. Ook vinden we een steen met daarop een olielamp afgebeeld, een steen met een rouwkrans en twee stenen met draperieën van een lijkkoets. De grafzerken zijn vrij bescheiden vergeleken met die op de begraafplaats van Kolham, mogelijk komt dit vanwege de veengrond waarop de begraafplaats zich bevindt. Zware stenen zouden hierin weg kunnen zakken. Vier grafstenen zijn helaas gedeeltelijk verdwenen en niet meer compleet.
Na de opheffing van de kille van Noord- en Zuidbroek wordt de begraafplaats overgedragen aan de Joodse gemeente Hoogezand-Sappemeer. Dit gebeurt echter niet meteen, er gaat ruim twee jaar tijd voorbij voordat het voormalige kerkbestuur van Zuidbroek de overdrachtsakte ondertekent, in eerste instantie weigert het bestuur. Ook na deze overdracht worden er nog een aantal mensen op de begraafplaats aan de Botjesweg begraven, hiervan zijn echter maar zes stenen bewaard gebleven.


 IMG 1147 klein  IMG 1142 klein
Situering van de Joodse begraafplaats in Zuidbroek.

De begraafplaats raakt in verval

Na de Tweede Wereldoorlog wordt de begraafplaats overgedaan aan het Nederlands-Israëlitisch Kerkgenootschap in Amsterdam, omdat er geen leden van de Joodse gemeenschap terugkeren naar Noord- en Zuidbroek. In de loop der tijd vinden er activiteiten van de NAM en ruilverkaveling plaats. Het perceel neemt in omvang af en verval treedt toe. In de jaren tachtig van de twintigste eeuw neemt W.T. Boom-Renkema contact op met het Nederlands-Israëlitisch Kerkgenootschap vanwege het verval van de begraafplaats. Zij schakelen de Stichting Schuld en Boete in die een werkgroep stuurt van dertig vrijwilligers uit het hele land. In één dag worden de zerken schoongemaakt, de letters opnieuw zwart gemaakt, stenen gerestaureerd en doet men het onderhoud aan omheiningen en het struikgewas. Voor het kapotte hek is helaas geen tijd meer, maar begin jaren negentig wordt het hekwerk alsnog vervangen door de gemeente Oosterbroek (waar Noord- en Zuidbroek destijds onderdeel van waren).
Wilt u meer weten over de begraafplaats in Noord- en Zuidbroek? Het boek ‘De Joodse gemeenschappen in Hoogezand-Sappemeer, Slochteren, Noord- en Zuidbroek en omliggende dorpen 1724-1950’ bevat een overzicht van alle grafstenen en hun opschriften. Het boek is bij ons op de studiezaal in te zien.

Een herinnering

Het gezin Boom-Renkema mist op de begraafplaats echter nog een gedenksteen voor de oorlogsslachtoffers van de vroegere Joodse gemeenschap van Noord- en Zuidbroek. Op hun initiatief wordt op 3 juni 1992 een natuurstenen herdenkingsmonument geplaatst voor de 28 slachtoffers van de Jodenvervolging die werden gedeporteerd naar Auschwitz en Sobibor. De tekst op het monument luidt:

Een eeuwige naam zal ik hun geven 1942 – 1944

Deze tekst is tevens in het Hebreeuws aangebracht. De oorlogsslachtoffers die met dit gedenkteken worden herdacht, zijn ook opgenomen in het ‘Digitaal Monument Joodse Gemeenschap in Nederland’. In dit digitale monument vindt u meer informatie over de betreffende personen, met waar mogelijk een korte biografie, familierelaties en adresgegevens.
Wilt u meer lezen over het monument aan de Botjesweg? Klik dan hier.

Groots onderhoud

Gelukkig wordt er ondanks dat er vaak geen of weinig nabestaanden zijn die de Joodse begraafplaatsen kunnen onderhouden, nog altijd aandacht besteed aan deze plekken, die een belangrijk onderdeel van onze geschiedenis zijn.
In 2013 heeft een grote groep vrijwilligers de zerken weer schoongemaakt, gerepareerd en opnieuw beschilderd. Deze grote groep vrijwilligers, waaronder ook de familie Pathuis en Bennie Wessels uit Noordbroek, reizen al jaren door Nederland om de handen uit de mouwen te steken op de verschillende begraafplaatsen in ons land.
In 2016 maakt de provincie Groningen bekend dat de Joodse begraafplaats in Zuidbroek net als verschillende andere Joodse begraafplaatsen wordt opgeknapt, omdat deze kenmerkend voor het landschap is. Daarna zullen het beheer en onderhoud structureel geregeld worden. In 2018 kondigt men aan dat de opknapbeurt van de acht Joodse begraafplaatsen, waarvoor de provincie geld gaf, zo goed als afgerond is. De provincie legde in 2016 anderhalve ton op tafel, maar het Nederlands Israëlitisch Kerkgenootschap moest ook een bijdrage leveren. Zij leverden hun bijdrage met manuren en vrijwilligers. Onder andere de vrijwilligers van Boete en Verzoening en Landschapsbeheer Groningen leverden hier een belangrijke bijdrage aan.