Deur- en vensterbelasting: betalen voor licht in huis

In de loop der eeuwen hebben de overheden altijd geld nodig gehad om hun uitgaven te kunnen bekostigen, de manier waarop men dit deed is echter wel veranderd met de tijd. Waar wij nu bijvoorbeeld belasting betalen over ons inkomen, onze auto of het milieu, betaalde je in de Romeinse tijd bijvoorbeeld belasting over het aantal zuilen in een gebouw, bedacht men in begin 1800 de belasting op haarpoeder voor pruikendragers en in 1797 in Engeland de belasting op klokken en horloges. Je kunt natuurlijk wel nagaan dat dit de klokkenindustrie niet ten goede kwam en ervoor zorgde dat uiteindelijk niemand meer op tijd kwam.

Betalen voor zonlicht in huis

In Nederland was men ook actief met het heffen van belastingen. Een huis met veel vensters en dus veel licht vond men prettig, maar in de 19e eeuw werd dat ineens heel wat minder fijn. De overheid voerde op 1 januari 1812, na de val van de onafhankelijkheid, namelijk het zogenaamde deuren- of venstergeld in, een vorm van vermogensbelasting. Hoe meer vensters je huis had, hoe hoger de belasting die je betaalde, want het aantal vensters was een maat voor de grootte van de woning. Nederland had deze belasting echter niet zelf bedacht. Na de onafhankelijkheid veroverde Napoleon grote delen van Europa en werd het Franse belastingstelsel – waar al sinds 1798 de belasting op vensters en deuren van kracht was, die waarschijnlijk weer afgekeken was van Engeland die er een eeuw eerder al mee begon – ook in Nederland ingevoerd. In Nederland was men bang dat het verhogen van de inkomstenbelasting niet in goede aarde zou vallen en de venster- en deurenbelasting was eenvoudig te heffen en te controleren, omdat de inspecteur niet naar binnen hoefde. Hij telde simpelweg het aantal buitendeuren en -vensters en koos het bedrag per deur of venster.

Hoe werkte de deur- en vensterbelasting?

De vensterbelasting was afhankelijk van verschillende zaken:

  1. Het aantal toegangsdeuren
  2. Het aantal vensters
  3. Het aantal inwoners van de gemeente waar de woning stond. Zo kon in 1821 een bedrag per deur of venster 40 cent zijn, maar ook meer dan een gulden.
  4. De verdieping waar de deur of het venster zich bevond. Zo kon op een venster op de derde verdieping bijvoorbeeld een kleiner bedrag worden geheven.
  5. De gemeente. Op een gegeven moment werden grote steden enigszins ontzien.
  6. Mogelijk was het ook van belang of de woning bewoond was of leegstond.

In ieder geval gold de vensterbelasting voor alle buitendeuren en –vensters die uitkwamen op straten, plaatsen, tuinen, vaarten en wateren. Ook als men een binnenplaats had met vensters of deuren telden deze mee. Vensters of deuren binnenin huis, die geen direct contact met de buitenlucht hadden, telden niet mee.

Er waren dan ook weer uitzonderingen. In de wet van 12 juli 1821 werden uitgezonderd van vensterbelasting:

  1. Woonhuizen beneden de 20 gulden jaarlijkse huurwaarde
  2. Openbare gebouwen, zoals fabrieken, schuren, stallen, kerken, scholen en dergelijke
  3. Dakvensters
  4. Zolders, kelders en andere vertrekken die niet voor bewoning geschikt waren.

De belasting moest worden betaald door de bewoner van het gebouw. Betrof dat een huurder, dan werd het bedrag door de eigenaar aan de huur toegevoegd.

Verzet en belastingontduiking

Er volgde veel verzet op de nieuwe belastingen, maar ook nadat Willem I in 1815 de troon besteeg bleef de belasting bestaan.

Maar men was niet voor één gat te vangen. Bewoners waren creatief en bedachten allerlei manieren om de belasting te omzeilen of verminderen:

Dichtgemetselde vensters
Heeft u wel eens door een stad of straat gelopen en gedacht, waarom zijn er zoveel ramen dichtgemetseld? Vaak metselde men in de ‘dag’, het venster was zo nog wel zichtbaar en soms bleef ook de raamdorpel bewaard. Vaak pleisterde men na het dichtmetselen de gevel wit, zodat het aanzien weer min of meer één geheel was of schilderde men er juist een raam op zodat het leek alsof er nog altijd een venster zat. Aan de binnenkant beplakte men het met behang of werd het voorzien van schilderwerk. Op deze manier kon men de belasting ontduiken. Veel van deze huizen met dichtgemetselde vensters staan er nog altijd, in de stad Groningen vind je ze nog op veel plekken.

venster2    venster1     venster3      venster4
Helaas zijn er in onze collectie geen duidelijke voorbeelden te vinden van dichtgemetselde ramen uit die tijd. Een aantal voorbeelden van latere tijd die wel laten zien hoe het er uit zou kunnen hebben gezien.

Minder vensters, maar groter
Bij een nieuw te bouwen huis, was het verminderen van de belasting eenvoudig. Men zorgde voor een klein aantal grote vensters. De grootte van het venster werd namelijk niet meegerekend in de prijs.

Verhuizen
De vensterbelasting verschilde per gemeente, dus verhuisde je naar een goedkopere gemeente dan kon dat aanzienlijk schelen.

Geen permanente bewoning
Mogelijk heeft het ook meegespeeld of men de woning permanent bewoonde of niet, maar dit is niet met zekerheid te zeggen.

De overheid speelde echter wel in op deze ‘trucjes’. Omdat de benodigde inkomsten van de overheid periodiek werden vastgesteld, verhoogde men simpelweg het bedrag per deur en venster.

Een teken van rijkdom

Het tegenovergestelde ziet men ook. Een groot aantal vensters straalde rijkdom uit. Kom je een boerderij uit de 18e of 19e eeuw tegen met een groot aantal vensters in de voorgevel dan zal hier waarschijnlijk een gegoede familie hebben gewoond. In Midden-Groningen zijn hier een aantal goede voorbeelden van te vinden.

 kropswolde huis met veel ramen     tjuchem huis met veel ramen
Voor een huis als de bovenstaanden in Kropswolde en Tjuchem moet men behoorlijk belasting hebben betaald. Men vindt nog een behoorlijk aantal van dit soort boerderijen in onze gemeente.

Een einde aan de vensterbelasting

In 1840 overwoog men om de belasting op deuren en vensters (en ook haardsteden) te laten vervallen en de belasting op huurwaarde te verhogen, maar dit werd niet doorgezet. Waarom niet? Men wilde de “zekere bron van inkomsten” niet opofferen voor “eenen onzekeren aanslag”.

Halverwege de 19e eeuw was er toch oog voor de nijpende situatie die vooral in de grote steden heerste. De belasting zou een slechte invloed op de gezondheid van de bewoners hebben. In 1864/1865 werd in een zitting van de Tweede Kamer besloten dat: “op deuren en vensters, waarvoor nu in klassen betaald wordt van 44 tot 77 cent hoofdregt”, de grote steden worden ontlast, “en alle andere klassen verhoogd tot op 68 cents hoofdregt.”

Pas toen er in 1896 een einde aan het Franse belastingstelsel kwam, werd ook de vensterbelasting beëindigd.